Vanuit Nkhata Bay is het mogelijk een ferry te nemen naar Likoma Island, een tropisch paradijs in het Malawimeer. Zonder reservering rijden we naar de haven om ons ter plekke te laten informeren. Al snel stuiten we op een luxe passagiersboot die ons voor 160 dollar per persoon naar het eiland wil brengen. (Likoma Expres) Dat vinden we stevig aan de prijs.
Even verderop is men druk bezig een ander, veel groter schip met goederen te beladen (Chembe). We vragen naar de kapitein en worden meegenomen naar de stuurhut. Daar horen we dat we mee kunnen voor omgerekend vier dollar per persoon. We reizen dan wel tussen de goederen en de locals, wat ons juist veel aantrekkelijker lijkt. Later wordt ons aangeboden plaats te nemen op het bovenste dek, vlak naast de kapitein. We vertrekken om één uur ’s nachts.
De overtocht is een belevenis op zich. Als blanke buitenlanders mogen wij als eersten aan boord. De rest van de menigte moet nog wachten aan wal, en hoewel het gebaar vriendelijk bedoeld is, voelen we ons zowel vereerd als ongemakkelijk. Toch nemen we het aanbod dankbaar aan. Wat volgt is een fascinerend schouwspel: mensen wringen zich met hun bagage, kippen, manden en zelfs complete bankstellen aan boord. Tussen, op en naast elkaar, alsof iedereen zich als harinkjes in een ton probeert te nestelen. Wie geen plek vindt, blijft achter. Zodra de kapitein het sein geeft dat de laadklep dicht moet, is het over en uit. Geen discussie mogelijk.
Rond zonsopkomst maken we een tussenstop bij Chizumulu, een klein eilandje. Het is hier te ondiep om aan te leggen, dus we gaan voor anker. Vanuit het eiland komen kleinere boten op ons af gevaren om mensen en goederen te halen of te brengen. Wat volgt is een enorme chaos. De bootjes klampen zich aan het moederschip vast, terwijl er driftig wordt geschreeuwd, geladen en geklommen. Jonge jongens springen als lenige acrobaten van dek naar dek, van schip naar bootje. Het is een waanzinnig tafereel, leven en handel in z’n puurste vorm.
Likoma Island, het resort
Als ook wij een uurtje later van de boot stappen, nemen we een mototaxi richting ons resort. De motoren scheuren over de smalle zandweggetjes, stofwolken stuiven op in de warme ochtendzon.
Chiponde Beach Resort heet onze bestemming. We worden hartelijk verwelkomd door Carla, de blanke Amerikaanse eigenaresse. Meteen springen de jonge lokale medewerkers in de houding om ons van dienst te zijn. Dat hoeft van ons allemaal niet zo, maar het geeft wel meteen een warm welkom. Het resort ziet er keurig uit en de sfeer is heerlijk ontspannen. Vanuit onze kamer is het letterlijk twintig stappen naar het heldere water van het Malawimeer. Vanaf het balkon op de bovenverdieping hebben we een fenomenaal uitzicht over de baai, met aan de horizon de bergen van Mozambique.
De medewerkers van de lodge doen hun uiterste best om het iedereen naar de zin te maken, al is dat niet eenvoudig met de beperkte middelen die ze hebben.
In een rustig moment spreken we met Carla. Ze vertelt openhartig over de uitdagingen van het opstarten van een lodge op deze afgelegen plek. Alles – van bouwmaterialen tot meubels – moest van het vasteland worden gehaald. Het was een hele onderneming om alles uiteindelijk hier op het eiland te krijgen.
Mzungu, mzungu! (“Blanken, blanken!”) roepen kinderen vanuit de verte als ze ons zien aankomen tijdens een wandeling over het eiland. Ze dansen om ons heen, houden onze handen vast en lopen een eindje met ons mee. Het zegt veel over de puurheid van het eiland. Er zijn pakweg vier lodges, die momenteel nauwelijks bezet zijn. Er komen dus wel reizigers, maar in beperkte aantallen. De mensen zijn nog puur, niet bedorven door massa’s toeristen.
Tijdens ons rondje over het eiland komen we aan bij de St. Peter’s Cathedral. Eén van Afrika’s grootste kerken, op zo’n afgelegen eiland. “Hoe is het mogelijk”, vragen we ons af. De bouw was inderdaad een uitdaging: het graniet werd op het eiland gewonnen, maar andere bouwmaterialen moesten van het vasteland of zelfs uit het buitenland worden aangevoerd.
En dan vallen we met onze neus in de boter: er is juist een trouwerij gaande. We sluiten stilletjes aan, achter in de kerk en merken aan de knikkende gebaren dat we van harte welkom zijn. De bruid en bruidegom zijn prachtig gekleed. Na de dienst maken ze staand op een auto een ererondje over het eiland.
Likoma – terug naar de wal
De meest gebruikte manier om van Likoma naar het vasteland te reizen is met de Ilala, een oud schip uit 1951. Officieel is er plaats voor zo’n 400 passagiers, maar er doen verhalen de ronde dat er regelmatig meer dan 600 mensen aan boord gaan en dan zijn de enorme hoeveelheden goederen nog niet meegeteld. Volgens de dienstregeling (die overigens uit 2017 stamt) doet de Ilala Likoma alleen op zaterdag aan. De aankomsttijd is zelden hetzelfde; alles hangt af van weer, wind en drukte. Vanuit onze lodge zien we in de verte de lichtjes van het schip naderen. We weten dan dat we nog een paar uur hebben voordat we daadwerkelijk aan boord kunnen.
Ook hier geldt: de Ilala legt niet aan. Op zo’n honderd meter van de kust gaat het schip voor anker. Tientallen kleine bootjes varen af en aan om in het donker mensen en goederen te vervoeren. Het is een indrukwekkend schouwspel vol geduw, getrek en geschreeuw. Langzaam komt ook onze beurt. Vanuit het kleine bootje moeten we via een touwladder aan boord klimmen. Wat een chaos.
Via via zijn we in contact gekomen met één van de bemanningsleden. Voor een kleine vergoeding staat hij zijn hut aan ons af. In het piepkleine, primitieve kamertje – dat verre van schoon is – staat een bed waarop we in ieder geval horizontaal de nacht kunnen doorbrengen. Bovendien zijn we hier bevrijd van vis- en zweetgeuren die zich op de hele boot verspreiden.
We slapen redelijk. De volgende ochtend, rond een uur of negen, bereiken we het vasteland waar het hele schouwspel zich in omgekeerde richting weer herhaalt.
We concluderen: De mooiste plekken zijn vaak het minst makkelijk bereikbaar.